Troonrede en Miljoenennota
De Grondwet, artikel 65, stelt het duidelijk: 'Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven'. Prinsjesdag, of Derde Dinsdag, gaat met de nodige rituelen gepaard: de rijtour met de Gouden Koets door Den Haag, het koffertje van de minister van Financiën. De Koning leest in de Ridderzaal de Troonrede voor, waarin de regering de beleidsvoornemens voor het komende jaar heeft verwoord.
In het koffertje met het opschrift Derde Dinsdag In September zit de Miljoenennota, waarin het financiële beleid voor het volgend jaar is beschreven. De Miljoenennota is een samenvatting van de ontwerp-Rijksbegroting, die bestaat uit de begrotingen waarin de verschillende ministeries aangeven hoe ze het geld, dat hun is toegemeten, willen gaan besteden. Het opstellen van de begroting en de bijbehorende discussies nemen het hele jaar in beslag. De Raad van State brengt advies uit over de ontwerpbegrotingen en over de Miljoenennota. De ministers geven hun reactie op het advies van de Raad van State. Al deze stukken worden bij de begrotingen en de Miljoennenota gevoegd.
De minister van Financiën coördineert de voorbereiding en uitvoering van de Rijksbegroting. Hij is het parlement verantwoording verschuldigd voor die begroting. De ministerraad, alle ministers gezamenlijk, is verantwoordelijk voor het opstellen van de begroting. De afzonderlijke ministers verdedigen de begroting van hun departement in de Tweede Kamer. De begrotingsbehandeling vindt in een vastgesteld ritme plaats na de Algemene Politieke en Financiële Beschouwingen, kort na Prinsjesdag. De Tweede Kamer heeft het recht begrotingen te wijzigen en stelt die uiteindelijk vast. Daarna gaat de begroting naar de Eerste Kamer die deze mag afkeuren of goedkeuren, maar niet meer mag wijzigen.
Hoe komt de overheid aan inkomsten?
Om aan geld te komen voor het uitvoeren van het beleid heft de overheid belastingen. De belastingen vormen het grootste deel van de inkomsten van de overheid. Verder verdient de staat aan de verkoop van aardgas uit de Nederlandse bodem. Ook krijgt de overheid inkomsten uit de winst van bedrijven waarvan de overheid (voor een deel) eigenaar is, zoals KLM. De inkomsten van de rijksoverheid over het jaar 2013 worden begroot op 247,4 miljard euro.
Hoe en waarom belastingen?
In Nederland draagt de overheid zorg voor allerlei zaken als rechtspraak, politie op straat en onderhoud van het wegennet, bijstand voor mensen die in financiële problemen komen, zorg voor ouderen, subsidies op woningen en kunst en cultuur. Het zijn allemaal taken die individuele burgers of bedrijven niet kunnen of willen uitvoeren, maar die wel uitgevoerd moeten worden om een goed verzorgingsniveau van de samenleving te realiseren. De uitvoering van deze overheidstaken kost geld. Iedereen in Nederland maakt gebruik van voorzieningen waar de overheid voor zorgt of aan meebetaalt, als wegen en dijken, gezondheidszorg, politie op straat en onderwijs.
In Nederland heeft bijna iedereen met belastingen te maken. Zichtbaar of onzichtbaar, direct of indirect, maken belastingen deel uit van het dagelijkse leven. Over salaris, alcohol, benzine, dividend, schenking, een prijs in de loterij en nog veel meer, moet belasting worden betaald.
Het ministerie van Financiën is verantwoordelijk voor het maken van wetgeving op belastinggebied en het uitvoeren van deze wetgeving. De feitelijke inning van belastinggeld is de taak van de Belastingdienst. Uiteraard zijn er ook vormen van belasting die worden geheven door andere overheden zoals de gemeenten; denk aan de onroerendezaakbelasting en de hondenbelasting.
Belastingen vroeger en nu
Het betalen van belastingen bestaat al eeuwen. Wie wil weten hoe het er vroeger aan toe ging, kan terecht in het Belasting- en Douanemuseum in Rotterdam. In de achttiende eeuw ging het voornamelijk om belastingen op noodzakelijke levensmiddelen als brandhout, zeep, zout, graan, vlees, wijn, turf, kolen en wol. Omdat niemand zonder deze producten kon leven, was de overheid verzekerd van inkomsten. De overheid gebruikte dat geld voor de bescherming van land en inwoners, de handhaving van de openbare orde en de regulering van verkeer, waterstaat en handel. Iedereen betaalde toen hetzelfde tarief ongeacht het inkomen. In 1806 werd een stelsel van algemene belastingen ingevoerd. De betekenis van het stelsel zat vooral in het bereiken van eenheid van de Nederlandse belastingheffing. In 1914 ontstaat de eerste vorm van belasting op inkomen. Het doel van het invoeren inkomstenbelasting is vooral om de rijken in Nederland zwaarder te belasten.
De rol van de overheid is sindsdien alleen maar groter geworden. Vandaar dat de overheid steeds meer geld nodig heeft om alle taken te kunnen uitvoeren. Nieuwe belastingssoorten, zoals omzetbelasting en vennootschapsbelasting worden ingevoerd. Na de Tweede Wereldoorlog is het belastingstelsel uitgegroeid tot een systeem dat wordt gekenmerkt door twee belangrijke uitgangspunten: het draagkrachtbeginsel en het profijtbeginsel.
Als mensen meer profijt hebben van een bepaalde overheidsvoorziening dan anderen, moeten zij er ook meer voor betalen. Dat is de kern van het profijtbeginsel. Daarom betalen automobilisten wegenbelasting en niet-automobilisten niet. De wegenbelasting wordt gebruikt om de aanleg en het onderhoud van wegen te betalen.
Daarnaast hanteert de overheid het draagkrachtbeginsel. Dat gaat ervan uit dat de sterkste schouders de zwaarste last kunnen dragen. Dus hoe hoger het inkomen, hoe meer belasting men moet betalen. De overheid hanteert tegenwoordig, behalve het profijt- en het draagkrachtbeginsel, ook het principe van 'de vervuiler betaalt'. Dat principe is bijvoorbeeld van toepassing als de overheid belasting heft op milieuvervuilende activiteiten.
Wie draagt de belastingen af?
Bij het afdragen van belastingen zijn de volgende twee mogelijkheden te onderscheiden: directe of indirecte belastingen. Belastingen die door de belastingplichtige zelf worden afgedragen aan de Belastingdienst worden directe belastingen genoemd. Een voorbeeld hiervan is de inkomstenbelasting. Bij de indirecte belastingen draagt een ander de belastingen af aan de Belastingdienst. Een voorbeeld hiervan zijn accijnzen. Dit is een belasting die in de prijs van goederen en diensten is verwerkt. De consument betaalt de belasting, maar de leverancier draagt het belastingbedrag af aan de Belastingdienst.
Belastingen in soorten en maten
De staat heft belastingen op inkomen, winst en en het rendement uit vermogen. Iedereen heeft te maken met de inkomstenbelasting, die moet worden betaald over inkomsten. Hoeveel inkomstenbelasting u betaalt is afhankelijk van de hoogte van uw inkomen en uw persoonlijke omstandigheden. Het huidige belastingstelsel, dat op 1 januari 2001 in werking is getreden, werkt met een systeem van heffingskortingen. De hoogte van de totale korting is afhankelijk van persoonlijke omstandigheden als leeftijd, het al of niet hebben van een baan en het aantal kinderen. Ook mensen zonder inkomsten hebben zo met de belastingen te maken, zij krijgen de heffingskorting namelijk uitbetaald.
Naarmate uw inkomen hoger is, betaalt u meer belasting. Daarnaast heft de staat btw (belasting op toegevoegde waarde) en accijnzen. Bij producten of diensten zit een toeslag op de prijs die de consument moet betalen. Deze toeslag is de btw of omzetbelasting. De producenten en leveranciers verhogen dus de prijs van een product of dienst met het bedrag van de btw, en vervolgens moeten zij dit geld aan de staat afdragen. Maar de consument betaalt in werkelijkheid deze belasting, want hij moet een toeslag op de prijs betalen. Zonder de btw zou de consument goedkoper uit zijn.
Op luxe producten, die niet echt nodig zijn om te leven, betaalt u 19 procent btw (bijvoorbeeld op cd's, of op sieraden). Op minder luxe producten, eerste levensbehoeften, betaalt u meestal 6 procent btw (bijvoorbeeld op brood). Op zaken als sigaretten, drank of benzine betaalt u bovenop de btw ook nog eens accijnzen, of verbruiksbelasting. Van iedere verkochte liter bezine of jenever wordt een vast bedrag of percentage aan accijnzen aan de overheid afgedragen.
Wie heffen de belastingen?
Er zijn vier mogelijkheden:
- Rijk
- Provincie
- Gemeente
- Waterschap
Voorbeelden van rijksbelastingen zijn de loon- en inkomstenbelasting, de omzetbelasting en de vennootschapsbelasting. De provincie kent enkele milieuheffingen. Gemeentelijke belastingen zijn bijvoorbeeld de de onroerendezaakbelasting en de hondenbelasting. De waterschappen heffen met name verontreinigingsheffingen. Ten opzichte van de totale belastingopbrengst is het aandeel van de provinciale, de gemeentelijke en de waterschapsbelastingen gering: nog geen 4% van de totale belastingopbrengst.
Waar wordt het geld aan uitgegeven?
De totale uitgaven van de Rijksoverheid zijn voor 2013 begroot op 260,9 miljard euro. Actuele informatie over inkomsten en uitgaven van de overheid is te vinden op de speciale Prinsjesdagsite. In het 'Huishoudboekje van Nederland' is daar informatie over inkomsten en uitgaven te vinden. Het meeste geld gaat naar het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voornamelijk voor de kosten van de gezondheidszorg. Daarna gaat het meeste geld naar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dat veel geld uitgeeft aan sociale voorzieningen en de kinderbijslag. Derde post is het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Vooral de salarissen van leraren en de studiefinanciering zijn grote uitgavenposten.
De begroting van het ministerie van Defensie bestaat voornamelijk uit het instandhouden van de krijgsmacht en het uitvoeren van vredesoperaties. Het openbaar vervoer, de spoorwegen en de aanleg en onderhoud van wegen, waterwegen en dijken vormen belangrijke bestanddelen van de begroting van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
De landen die lid zijn van de Europese Unie, betalen met elkaar de kosten van die Unie. De afdracht aan de EU, een apart hoofdstuk in de Rijksbegroting, is te vergelijken met het lidmaatschap van een vereniging, en wordt voor iedere lidstaat op grond van criteria als bevolkingssamenstelling, economische kengetallen bepaald. De grootste uitgaven van de EU zijn de landbouwsubsidies.
Voor het ministerie van Buitenlandse Zaken is de voornaamste kostenpost de buitenlandse dienst. Het geld voor internationale samenwerking, dat ook in deze begroting is opgenomen, wordt voor een deel besteed via organisaties als de Verenigde Naties (VN) en via internationale hulporganisaties. Het andere deel van het geld gaat direct naar projecten in ontwikkelingslanden. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betaalt onder andere de politie; in de begroting zijn ook de uitgaven voor de dienstverlenende en innovatieve overheid (inclusief de website Overheid.nl) opgenomen. Bij het ministerie van Financiën is de Belastingdienst de belangrijkste uitgavenpost. De uitgaven bij Veiligheid en Justitie gaan vooral naar de politie, de rechtspraak, de kinderbescherming en de gevangenissen. Economische Zaken, Landbouw en Innovatie investeert in natuur, geeft subsidies aan het bedrijfsleven en zorgt voor exportbevordering.
Van Derde Dinsdag naar Derde Woensdag
Bij de Miljoenennota en de Troonrede gaat het om begrotingen en voornemens. Gedurende het parlementaire jaar kunnen daar natuurlijk allerlei veranderingen in optreden, wijzigingen in worden aangebracht. Dat is vaak zoveel en zo detaillistisch dat menigeen het overzicht kwijtraakt. Ook de Tweede Kamer die immers als belangrijke taak controle op het bestuur heeft, constateert dit bij herhaling. Nog belangrijker is de vraag wat er van al die plannen en voornemens uiteindelijk terecht komt. Als in de Troonrede wordt aangekondigd dat er 2000 extra politieagenten zullen worden aangesteld, komen die er dan ook werkelijk? Wanneer afgesproken wordt om geld vrij te maken voor een betere elektronische dienstverlening door provincies en gemeenten, wordt dat dan ook daadwerkelijk besteed? Om haar controlerende taak nog beter uit te oefenen is met ingang van 2000 afgesproken om iedere derde woensdag in mei de balans op te maken. De ministers moeten dan in de Tweede Kamer verantwoording afleggen over de beleidsdaden die ze beloofd hebben en wat daar dan van is terechtgekomen. Derde Woensdag gaat vooralsnog met minder rituelen gepaard dan Derde Dinsdag, maar het is wel de bedoeling om hier een stevige traditie van te maken.