Overheid.nl | Standaard elementen

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Zoeken

De centrale of rijksoverheid (regering, ministers, Eerste en Tweede Kamer) is voornamelijk te vinden in en rond Den Haag. Rond het Haagse Binnenhof vinden we het centrum van de Nederlandse politiek. Aan weerszijden staan de gebouwen van de Eerste en Tweede Kamer. Midden op het historische plein staat de Ridderzaal, waar de Koning op Prinsjesdag de troonrede voorleest. De minister-president zetelt in het Torentje, dat uitkijkt op de Hofvijver. In de Treveszaal wordt wekelijks de vergadering van de ministerraad gehouden.

Het Parlement

De Eerste en de Tweede Kamer vormen samen het parlement, de volksvertegenwoordiging en zijn medewetgever.

Hoewel de naam misschien het tegendeel doet vermoeden, heeft de Eerste Kamer minder macht dan de Tweede. In de Tweede Kamer wordt namelijk de Nederlandse politiek gemaakt. Daar ontstaan regeringscoalities en vallen ze weer uiteen. Daar worden ministers ter verantwoording geroepen voor hun beleid. Een minister of kabinet kan niet aanblijven zonder het vertrouwen van de Tweede Kamer.

Om de regering te kunnen controleren, heeft de Tweede Kamer verschillende rechten en instrumenten. Een belangrijke bevoegdheid van de Tweede Kamer is het budgetrecht of recht van begroting. Dat is de mogelijkheid begrotingen van de ministeries goed en af te keuren en om ze te wijzigen. Een van de belangrijkste rechten is het recht van amendement. Dat is de mogelijkheid om wetsvoorstellen op onderdelen te wijzigen. Als een meerderheid van de Kamer het amendement steunt, dan wordt de verlangde wijziging aangebracht. Een minister die daar grote bezwaren tegen heeft kan dreigen met aftreden of met intrekking van het gehele wetsontwerp. Een tweede instrument van de Kamer is de motie. In een motie spreekt de Kamer een mening uit of vraagt zij een minister of het hele kabinet om iets te doen of juist na te laten. Zo'n uitspraak weegt minder zwaar dan een amendement, omdat hij niet bindend is. Een minister kan een motie naast zich neerleggen.

Verder kan de Kamer gebruik maken van het recht van interpellatie. Een interpellatie is een spoeddebat waarin een minister ter verantwoording wordt geroepen voor een of ander besluit. Elk Kamerlid kan om een spoeddebat vragen, maar het gaat alleen door als een meerderheid van de Kamer ermee instemt, wat in praktijk meestal gebeurt.
In minder zwaarwegende kwesties kunnen ministers door Kamerleden aan de tand worden gevoeld tijdens het wekelijkse mondelinge vragenuurtje van de Tweede Kamer. Ook bestaat de mogelijkheid om schriftelijke vragen te stellen, waarop de betrokken minister verplicht is te antwoorden.

Het recht van initiatief biedt Kamerleden de gelegenheid om zelf met wetsontwerpen te komen, als de regering naar hun mening in gebreke blijft. Een Kamerlid dat een initiatief-wetsontwerp indient, verdedigt het zelf tegenover zijn collega's.

In uitzonderlijke gevallen maakt de Kamer gebruik van het recht van enquête. Een speciaal daarvoor benoemde commissie onderzoekt dan in een bepaalde kwestie het regeringsbeleid tot op de bodem. Betrokkenen kunnen onder ede worden gehoord. Een bekend voorbeeld is de enquête naar de Bijlmerramp.

Vergeleken met de Tweede Kamer heeft de Eerste Kamer of senaat minder rechten. De leden ervan, ook wel senatoren genoemd, bedrijven de politiek als bijbaan. Slechts één dag in de week komen ze bijeen om de wetsontwerpen die al door de Tweede Kamer zijn aangenomen nog eens te bespreken. Daarbij heeft de Eerste Kamer minder bevoegdheden dan de Tweede Kamer. De senatoren mogen alleen ja of nee zeggen tegen een wetsontwerp. Wijzigingen aanbrengen is er niet bij. Wel kunnen ze, net als hun collega's aan de andere kant van het Binnenhof, moties aannemen en schriftelijke vragen stellen aan de regering. Anders dan de Tweede Kamer wordt de Eerste Kamer niet rechtstreeks door de Nederlandse bevolking gekozen. De 75 leden worden aangewezen door de leden van alle Provinciale Staten, kort na de verkiezingen voor die provinciale bestuurslichamen.

Verkiezingen

De Tweede Kamer wordt gekozen door alle Nederlanders van 18 jaar en ouder. Door middel van een stembiljet of een stemcomputer kan iedereen zijn of haar politieke voorkeur uitspreken. Voor de verdeling van de 150 Kamerzetels is de zogenaamde kiesdeler bepalend: het totaal aantal uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal te verdelen zetels (150). Voor elke keer dat een partij de kiesdeler haalt, krijgt ze één zetel. Maar er zijn altijd wat stemmen over, en dus ook een paar te verdelen zetels. Die restzetels worden via een verdeelsleutel aan de partijen toegekend, waarbij in het algemeen de grote partijen in het voordeel zijn. Enigszins gelijkgestemde partijen kunnen een lijstverbinding aangaan. Daardoor worden de reststemmen bij elkaar opgeteld en komen ze eerder in aanmerking voor een restzetel. Een lijstverbinding is er alleen om te voorkomen dat politieke tegenstanders van de reststemmen zullen profiteren. Het zegt niets over eventuele samenwerking tussen de partijen als ze eenmaal in de Tweede Kamer zitten. Vooral de kleinere partijen maken nogal eens van de mogelijkheid tot lijstverbinding gebruik.

Kiezers kunnen ook beïnvloeden wie er namens een partij in de Kamer komt. Hoewel de meeste mensen kiezen voor de nummer één van een partij, de lijsttrekker, kan men stemmen op een kandidaat die lager op de lijst staat. Dat heet een voorkeurstem. Met veel voorkeurstemmen kan iemand die heel laag op de kandidatenlijst staat toch nog een zetel behalen.

De laatste verkiezingen van de Tweede Kamer vonden plaats op 12 september 2012.

Formatie

Op de dag na de verkiezingen begint de kabinetsformatie.

In de meeste gevallen wordt eerst een informateur benoemd die bekijkt welke partijen met elkaar een kabinet willen vormen en welke problemen daarbij moeten worden overwonnen. In de praktijk mag de partij die bij de verkiezingen het grootst is geworden bij de formatie het voortouw nemen. Die levert doorgaans de (in)formateur. Vervolgens wordt een formateur benoemd. Dat is een man of vrouw die het karwei tot en met de verdeling van de ministersposten klaart. Meestal is het de toekomstige minister-president zelf.

Bij voorkeur wordt gezocht naar een parlementair meerderheidskabinet. Dat is een kabinet dat wordt gesteund door een meerderheid in de Tweede Kamer en dat van tevoren afspraken heeft gemaakt over de hoofdlijnen van het beleid dat zal worden gevoerd. De formatie wordt afgerond wanneer een formateur met instemming van de partijen een regeerakkoord en kandidaten voor alle ministersposten heeft gepresenteerd. De ministers worden daarna beëdigd, waarna de minister-president in de Tweede Kamer een regeringsverklaring aflegt.

Regering en ministeries

De regering telt momenteel dertien ministers, die zich elk met een bepaald terrein bezighouden. Het regeringsbeleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle ministers. Belangrijke beslissingen moeten daarom in de wekelijkse vergadering van de ministerraad worden genomen. Daarbij heeft de minister-president de belangrijke taak om de eenheid te bewaren. De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, onderdeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken, en de minister voor Wonen en Rijksdienst, onderdeel van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn ministers zonder portefeuille.

Veel ministers worden bijgestaan door een staatssecretaris die een bepaald deel van het beleidsterrein voor zijn rekening neemt. Een staatssecretaris is een soort onderminister, maar hij maakt geen deel uit van de ministerraad. Hij komt alleen bij een vergadering van het kabinet als een onderwerp op zijn terrein ter sprake komt.

Er zijn sinds 5 november 2012 ministers voor de volgende posten:

Hoge Colleges van Staat

Naast regering en parlement bestaan er ook zogenaamde Hoge Colleges van Staat. Ze hebben een zelfstandige positie en vervullen een aantal belangrijke functies.

De Raad van State is het belangrijkste adviesorgaan van de regering en brengt onder andere advies uit over alle wetsvoorstellen. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt het hoger beroep in bestuursrechtelijke zaken (geschillen tussen of met overheden) voor zover deze niet betrekking hebben op sociale verzekeringen en ambtenarenzaken.

De Algemene Rekenkamer zorgt voor het toezicht op de uitgaven van de rijksoverheid en controleert of deze rechtmatig en doelmatig zijn. Gevraagd en ongevraagd brengt de Algemene Rekenkamer daarover verslag uit aan de Tweede Kamer. Kritiek van de Algemene Rekenkamer kan voor de Tweede Kamer aanleiding zijn om ministers ter verantwoording te roepen. De rapporten van de Algemene Rekenkamer worden als kamerstuk gedrukt.

Burgers die klachten hebben over de overheid kunnen terecht bij de Nationale ombudsman. Hij stelt vervolgens een onderzoek in en brengt naar aanleiding daarvan advies uit in rapporten, die ook op internet beschikbaar zijn. De Nationale ombudsman is geen rechter; de overheid is niet verplicht om gevolgen te verbinden aan zijn uitspraken.

Adviesorganen

De rijksoverheid kent verder een aantal adviesorganen. De meeste ministers worden - gevraagd en ongevraagd - geadviseerd door raden van specialisten op hun beleidsterrein. Deze adviezen zijn nooit bindend, maar kunnen grote invloed hebben op het regeringsbeleid. Bekende voorbeelden zijn de Gezondheidsraad en de Kiesraad. Soms besluit de regering voor een bepaald onderwerp een tijdelijke adviescommissie in te stellen.

Acties

Inloggen MijnOverheid DigiD logo